Achieving coordination and cooperation are universal challenges to organizing. In modern organizations, the problems are the same, but solutions have changed. Hierarchies and routines operate differently as means of coordination and control in contemporary forms of organizing than in bureaucracies. This dissertation explores how power hierarchies and organizational routines are changing, arguing for a grounded approach to understand their implications on people and work. By theorizing the effects of flattening and stretching hierarchies from a social identity perspective, the first study offers a multilevel framework for understanding and addressing the intra and interpersonal dynamics that arise from such mandated organizational change. In examining the accomplishment of self-governing routines, the second study contributes to our understanding of the ongoing nature of conflict and control in organizational routines. From reviewing empirical findings and theoretical intuitions on the unique dynamics at play in self-managed organizations, the third study explains concrete ways scholars can leverage self-managed organizations as a novel empirical setting to advance routine dynamics theorizing. As a result, this dissertation provides three accounts of contemporary work for individuals and organizations seeking to understand why new forms of organizing matter, and contributes to bridging the extant divide between the practice and study of organizing.
Organisaties hebben altijd coördinatie en samenwerking als uitdagingen gekend. Moderne organisaties zijn daarin niet anders, maar de oplossingen zijn wel veranderd. In hedendaagse organisatievormen fungeren hiërarchieën en routines anders als coördinatie- en controlemiddelen dan in bureaucratisch werkende organisaties. In dit proefschrift wordt onderzocht hoe machtshiërarchieën en organisatorische routines veranderen en wordt gepleit voor een gefundeerde benadering om de implicaties hiervan op mens en werk te begrijpen. In de eerste studie wordt vanuit een sociale identiteitsperspectief getheoretiseerd over de effecten van het afvlakken en verbreden van hiërarchieën. Dit leidt tot een meerlagig kader voor het begrijpen en beïnvloeden van de intra- en interpersoonlijke dynamische processen die voortkomen uit dergelijke opgelegde organisatorische veranderingen. De tweede studie onderzoekt hoe zelfregulerende routines tot stand komen en draagt zo bij tot ons begrip van de wijze waarop conflict en controle altijd een rol spelen in organisatorische routines. Op basis van een overzicht van empirische bevindingen en theoretische intuïties over de unieke dynamiek in zelfsturende organisaties, wordt in de derde studie concreet uiteengezet hoe wetenschappers zelfsturende organisaties kunnen gebruiken als een nieuwe empirische setting voor verdere theorievorming over routinedynamiek. Alles bij elkaar genomen, biedt dit proefschrift inzicht in drie verschillende soorten recent werk die relevant zijn voor mensen en organisaties die willen begrijpen waarom nieuwe organisatievormen belangrijk zijn. Daarmee draagt het bij aan de overbrugging van de nog bestaande kloof tussen de praktijk en de studie van organiseren.